Tag Archives: Belgian cinema

Het leven eener groote abdij (1930)

Together with students from the University of Antwerp, I’ve been working on the Belgian filmmaker Carlo Queeckers and his only surviving film, Het leven eener groote abdij/La vie d’un grand monastère (1930). The results of our research are presented during two film screenings.

Tongerloo-film komt

In de late jaren 1920 werd Carlo Queeckers als een van de belangrijkste Belgische cineasten beschouwd. Helaas zijn de meeste van zijn films verloren gegaan. De enige uitzondering is Het leven eener groote abdij/La vie d’un grand monastère, een film uit 1930 over de abdij van Tongerlo. Queeckers’ stilistisch opmerkelijke film zonk volledig weg in de vergetelheid. CINEMATEK, het Koninklijk Belgisch Filmarchief, maakte een digitale versie van Het leven eener groote abdij, wat de aanleiding vormde om voor het eerst een grondig onderzoek uit te voeren naar de film en zijn maker.

Dit gebeurde binnen het door Steven Jacobs en mezelf gedoceerde Onderzoeksseminarie Film aan de Masteropleiding Theater-en filmwetenschap van de Universiteit Antwerpen. De resultaten van het onderzoek worden voorgesteld in een brochure, een artikel in Filmmagie en tijdens twee filmvertoningen: op 8 mei in Cinema Zuid te Antwerpen, en op 22 mei in de bibliotheek van Westerlo, telkens met een inleiding door de studenten.

Carlo Queeckers

Carlo Queeckers

Het idee om een film te maken over de norbertijnenabdij van Tongerlo ontstond in de nasleep van een zware brand die de abdij in 1929 gedeeltelijk verwoestte. Een groep kloosterlingen schreef een scenario voor een film waarvan de opbrengsten zouden dienen voor de herstellingswerken. Men vond in de toen 24-jarige cineast Carlo Queeckers de ideale kandidaat om de klus te klaren.

De in Brussel geboren filmmaker Carlo Queeckers (1906-1969) werd op dat moment geprezen om zijn ritmische stadsfilms Vlaamse kermis (1929) en Brusselse melodie (1929). Queeckers gold als een vertegenwoordiger van de avant-garde in de Belgische film en werd in één adem genoemd met Henri Storck en Charles Dekeukeleire. Na de Tongerlofilm in 1930 maakte Queeckers enkele films in Portugal. Le mas d’Icare (1934), een illustratie van een muziekstuk van Paul Gilson, is voor zover bekend zijn laatste realisatie.

De abdijfilm is Queeckers’ enige bewaard gebleven film. De filmproductie was een grootse onderneming. Overgeleverde production stills laten bijvoorbeeld een grote houten stelling zien van waarop de panoramische beelden werden gedraaid. De brand werd nagebootst door een maquette te laten afbranden. De film werd ook gemaakt met een groot aantal (wellicht 800 à 1.000) figuranten, veelal dorpelingen uit de buurt. De grote sterspelers zijn evenwel de paters zelf. Ze vertolken de rollen van allerhande personages in de historische scènes maar spelen ook zichzelf in de eigentijdse passages.

De film opent met beelden van de wilde Kempen in de twaalfde eeuw, net voor de stichting van de abdij. Wat volgt is een aaneenschakeling van belangrijke historische gebeurtenissen in de geschiedenis van de abdij zoals de stichting, de opstand tegen het Oostenrijks bewind, de uitdrijving van de kloosterlingen tijdens de Franse Revolutie en de terugkeer in 1840. De film springt dan naar de hedendaagse tijd om de kijkers een blik te gunnen in het dagelijks leven van de kloosterlingen. Het laatste gedeelte richt zich op de de brand en de wederopbouw van de abdij.

De film valt stilistisch op in zijn voorliefde voor de long take, terwijl camerabewegingen en tableaus volop de diepte van het kader bespelen. Queeckers zocht duidelijk aansluiting bij de Europese kunstfilm. De film bevat ook enkele sequenties met een ritmische montage die aan de Sovjetcinema herinnert. Het leidt tot een vrij eclectisch maar steeds vakkundig resultaat, waarbij Queeckers erin slaagt om de visie van zijn opdrachtgevers te verzoenen met zijn eigen kunstenaarschap.

Er werden verschillende versies van de film uitgebracht en gedurende de volgende decennia werd er meerdere keren in de film geknipt. Dit maakte een reconstructie van de film er niet makkelijker op. De film die vandaag beschikbaar is, werd geconstrueerd door de overgeleverde filmfragmenten te vergelijken met wat de contemporaine pers over de film schreef en andere historische documentatie. Vermoedelijk ontbreekt nog steeds een deel over de kunstschatten van de abdij.

De film kan niet los van zijn katholieke context gezien worden. De katholieke beweging kende in de jaren 1920 een dubbelzinnige houding tegenover het filmmedium. Enerzijds gold de filmwereld als een ‘school van verderf’ en trachtte men films en bioscopen te controleren via de oprichting van allerlei instanties. Anderzijds zag men in katholieke kringen ook het instructieve en creatieve potentieel van films in. Vanaf het begin van de jaren 1920 lieten diverse congregaties films vervaardigen over hun werking. Het leven eener grote abdij is één van de meest ambitieuze films binnen deze traditie en is dringend aan een herontdekking toe.

Collages op basis van Queeckers’ film door Carolina Van Thillo

Filmvertoningen met live pianobegeleiding en voorafgaande presentatie van het onderzoek:

  • Woensdag 8 mei om 20u00 in Cinema Zuid te Antwerpen: website
  • Woensdag 22 mei om 20u00 in de bibliotheek van Westerlo: website

Over het onderzoek schreven we een artikel voor Filmmagie. Ook KnackFocus, Sabzian, Cinevox, HLN.beKerknet, Gazet van Laakdal, en KempenNieuws zetten film en onderzoek in de kijker.

Advertisements

Charles Dekeukeleire at CINEMATEK

Poster expo

This month, CINEMATEK (the Belgian Royal Film Archive) pays tribute to Charles Dekeukeleire (1905-1971), one of Belgium’s most important filmmakers. Especially his avant-gardist films from the late 1920s, such as Impatience (1928) and Histoire de détective (1929), are (justly!) considered as masterpieces of experimental cinema. See, for example, Kristin Thompson’s excellent analysis of these films. But while Thompson is less enthusiastic about Dekeukeleire’s later work, I find films such as Witte vlam (1930), Visions de Lourdes (1932), Thèmes d’inspiration (1938) and the underrated Het kwade oog (1937 – on which I have been working, see here) equally interesting.

Next to a film programme focusing on Dekeukeleire’s work and its film historical links, CINEMATEK hosts an attractive exhibition curated by Mathilde Lejeune (Université Lille 3), who also gave a lecture on her ongoing research on Dekeukeleire’s life and work. For the exhibition, she made an insightful selection out of CINEMATEK’s rich archival holdings on Dekeukeleire: film stills, scripts, publicity material, reviews, certificates, letters, and, above all, Dekeukeleire’s intriguing little notebooks. Lejeune introduces the exhibition in this video.

Definitely worth a visit for anyone interested in the history of Belgian cinema, experimental and documentary cinema! The exhibition is on display until 28 April.

 

Remaking national, disability and gender identities

The European Journal of Cultural Studies published an article by Eduard Cuelenaere, Stijn Joye and myself. By drawing on the case of the Belgian film Hasta La Vista (2011) and its Dutch remake Adios Amigos (2016), we look at how the remake process transforms representations of national, disability and gender identities. You can read the article here.

EJCS

Both films are popular road trip movies dealing with the adventure of three friends with disabilities who overcome boundaries in multiple ways. Not only by figuratively (and almost literally) escaping their parents and their disabilities but also through traveling, exploring sexuality, and eventually by dying. Although the films deal with almost exactly the same themes, their interpretation and contextualization differ considerably. As a consequence of the localizing processes embedded in film remakes, subtexts which were ingrained in the source text were ignored or even withheld in the newer version. As the involved filmmakers built on particular stereotypical visions and myths about these specific cultures and national identities, often with the purpose of recreating a socio-cultural context, such narrowed perceptions were occasionally subverted but also reconsolidated. Furthermore, through the remake process, some ableist and patronizing representations of, respectively, disability and gender identities were subverted, while others were kept or even reinforced. Our results show that such transformations point toward specific socio-culturally defined disability and gender identities but also toward a shared disability and gender culture.

The Daens myth in literature and cinema

My article ‘From political biography to political event: the Daens myth in literature and cinema’ has just been published in the journal Biography. This article examines how Louis Paul Boon’s historical novel Pieter Daens (1971) and Stijn Coninx’s biopic Daens (1992) have contributed to the ‘Daens myth’, in which the Belgian priest and politician Adolf Daens (1939-1907) is idealized as a self-assured hero fighting social injustice. The article focuses on how Daens is related to Flemish nation-building and how the political biopic became a political event itself. You can read it here.

Daens

 

Loft remakes

The latest issue of the Tijdschrift voor Communicatiewetenschap published an article by Eduard Cuelenaere, Stijn Joye and myself on the Belgian film Loft (2008) and its Dutch (2010) and American (2014) remake. You can read the article here (in Dutch).

loft

Het Tijdschrift voor Communicatiewetenschap publiceerde zonet een artikel van Eduard Cuelenaere, Stijn Joye en mezelf, over de Belgische film Loft (2008) en zijn Nederlandse (2010) en Amerikaanse (2014) remake. Je kan het artikel hier lezen. Het artikel focust op de (re)producties van culturele identiteiten. Via een vergelijkende analyse van representaties van vrouwelijke personages, seksualiteit en etniciteit onderzoeken we hoe verschillende versies van eenzelfde filmverhaal gerelateerd zijn aan hun specifieke socio-culturele contexten, en aan het concept van ‘karaoke-Amerikanisme’.

Cinema, the government and the popular

The latest issue of the Journal of Popular Film and Television features my article Cinema, the Government, and the Popular: Popular and Commercial Aspects of Cultural Film Support in Flanders (Belgium). You can download it here.

cinema-the-government-and-the-popular

The article examines the evolution of both the popular and the commercial aspects within the official film production support in Flanders between 1964 and 2002. The article sheds light on the policy motivations underlying the cultural-commercial tension, which was a permanent issue of conflict for the Flemish film policy actors. As such, it provides a broader historical context to my publication on Flemish popular comedies in the 1980s.

Reframing the remake

Rip-Off or Resourceful Creativity? is the title of the latest special issue (edited by Sarah Smyth and Connor McMorran) of the Frames Cinema Journal, focusing on remakes. It features an article called Reframing the remake: Dutch-Flemish monolingual remakes and their theoretical and conceptual implications, by Eduard Cuelenaere, Stijn Joye and myself. The article offers some first theoretical reflections on remakes and the academic field of remake studies, stemming from our recently started research project on Dutch-Flemish remakes (cf. this previous blog post). You can read the article at full length here.

reframing-the-remake-frames

In the article, we explicitly take distance from ‘anti-remake debates’ offering a normative standpoint towards remakes. We instead aim for a more nuanced reading of the remake practice. Our argument is based upon an examination of Dutch-Flemish remakes, which proves to be an original contribution to the field of remake studies, as well as an excellent exemplar in the context of the deconstruction and reframing of discourses about the global remake practice. As a first step, we claim that the non-commercial aura of the European remake should be revisited because the Dutch-Flemish monolingual remakes clearly disclose a similar incentive to the one that often inspires Hollywood remakes: financial gains. Furthermore, our case underlines the need for a more nuanced understanding of intercultural media practices, including the cultural proximity theory. Lastly, we reveal a remarkable discrepancy between the essentialist conception of cultural identity—that is put forward by remake directors—and the constructionist conception, which is dominant in scholarly discussions.